Op Lichtboog toont Jef Verheyen ons het resultaat van zijn eeuwige streven om het licht te vatten. Dit werk laat diverse effecten van dezelfde schakeringen van een kleur zien, om ze tot een bepaald trillingsniveau te brengen. Hij noemde dat ‘essentialisme’, zoals hij in 1959 in het tijdschrift Het Kahier schreef. Kunst moet bewegen, trillen en een nieuwe dynamische optiek op gang brengen. Als verbindingsagent tussen de Duitse groep Zero en de Belgische artiesten ontwikkelde Verheyen samen met kunstenaars als Walter Leblanc en Paul Van Hoeydonck een affiniteit met het minimalisme. De Zero-kunst was niet alleen de kunst van monochrome schilderijen maar ook die van licht en beweging. Vanaf de jaren 1960 wilden de leden van de groep de pure mogelijkheid van een nieuw begin uitdrukken, wars van elke verwijzing naar het verleden. In die zin keerden ze het pessimisme in crisisperiodes de rug toe en zetten ze zich volledig in voor vernieuwing. Maar in tegenstelling tot de groep Zero, die nieuwe materialen gebruikte, bleef Verheyen trouw aan de artisanale schilderkunst. Hij ging op zoek naar de ‘irisatie’-effecten van de kleur, met andere woorden hoe het licht breekt op het oppervlak van de kleur. Hij experimenteerde met de veelvoudige reflecties van kleur op een doorschijnend oppervlak. Dat zien we op Lichtboog, dat hij ook in 1962 schilderde en waarin hij een etherisch effect vermengt met een ruimtelijke uitzetting