Dit Zelfportret – dat rond 1850 wordt gesitueerd – is een krachtige en kundig uitgevoerde schets. Johan Barthold Jongkind beeldt zichzelf af in tegenlicht en beklemtoont, heel schetsmatig, slechts enkele details: de donkere en elegante hoed en jas, het wit van het doek, de gekromde snor en de puntige baard op een nauwelijks getekend gezicht. Net als op Jongkinds marines en haven- en stadsgezichten wordt een groot deel van de hemel ingenomen door een heel bijzonder blauw, soms wel eens ‘Jongkind-blauw’ genoemd. De nonchalant uitgevoerde en pasteuze witte wolken vormen een halo rond het silhouet van de kunstenaar, terwijl het landschap op de achtergrond tot enkele gekleurde volumes is herleid. Hoewel dit schilderij niet representatief is voor Jongkinds gehele productie, herkennen we al het vernieuwende karakter van zijn werk, dat zijn stempel drukte op de impressionisten, en in het bijzonder op zijn leerling Monet.