De jaren 1928 tot 1940 vertegenwoordigen de rijpe periode in het oeuvre van Anto Carte, zoals blijkt uit Man met haan (1934). De sobere, bijna monochrome massa van de man op het voorplan wordt door één kleurvlek beklemtoond: het rood van de hanenkam. Alle aandacht gaat uit naar het okerkleurige en gegroefde gezicht met zijn mijmerende blik. De compositie is heel strak. Carte stelt steeds weer vragen bij de mens en zijn lot. De menselijke figuur neemt een dominante plaats in zijn oeuvre in. In zijn schilderijen geeft Anto Carte zijn boeren een bijna bijbelse statigheid