In de jaren 1980 betrad Walter Swennen het artistieke toneel met werken met gewone, alledaagse motieven en een naïef uitzicht. Het stripverhaal, kindertekeningen of handboeken ‘schilderkunst voor beginners’ voeden zijn verbeelding. Hij opteert voor leesbare, onmiddellijk herkenbare objecten. Deze keuze kan contra-intuïtief lijken tegenover zijn rond de taal opgebouwde schilderijen, die een esthetiek van de doorhaling, van het onleesbare ontwikkelen en waarin de voormalige dichter de woorden bewust mishandelt. Swennen houdt van zelfspot, onvoorspelbaarheid en humor en past dit soort verdraaiing graag toe. Hij spot met de autocratische figuur van de auteur, van de zo belangrijk geachte onderwerpen. In blauwe acrylverf schetst Mig de trekken van een vliegtuig. De ogenschijnlijk eenvoudige witte achtergrond deelt het schilderij in verschillende delen op door middel van diverse nuances. Twee fijne lijnen verdelen de ruimte in vier gelijke stukken, wat de indruk van een gevouwen blad wekt. Schilderkunst en tekenkunst vloeien hier samen op het doek, alles in het teken van een schijnbare naïviteit.