In het begin van de jaren 1920 leiden René Magrittes vriendschap met kunstenaars verbonden met de dadaïstische beweging en zijn ontdekking van het werk van Giorgio De Chirico hem definitief in de richting van het surrealisme. In 1925 maakt hij zijn eerste collages, ongetwijfeld beïnvloed door de originele collages van Max Ernst. Magritte realiseert er ongeveer 24 tot 1927, het jaar waarin hij naar Parijs vertrekt. In deze vroege werken vinden we reeds typische Magritte-motieven terug, zoals het beroemde bilboquet op de voorgrond. Magritte plaatst uitgeknipte foto's zoals die van een winkelpui naast getekende architecturale elementen zoals de doos of de muur met openingen, waarmee hij perspectief suggereert. Muziek is een terugkerend element in deze collage, met stukjes bladmuziek die op het bilboquet op de voorgrond zijn geplakt, en ook de mysterieuze fonograaf die een kubus is geworden waarin jonge vrouwen poseren. Het gebruik van bladmuziek in zijn collages komt in de eerste plaats voort uit zijn beroepspraktijk (Magritte illustreerde covers van bladmuziek), maar is ongetwijfeld ook een eerbetoon aan zijn vriend E.L.T Mesens, dichter en componist. Zoals altijd bij Magritte ontgaat de betekenis van het werk ons: "Ik zorg ervoor, voor zover mogelijk, alleen schilderijen te maken die mysterie opwekken met de precisie en betovering die nodig zijn voor het leven van ideeën".